Niet alle obesitas
is hetzelfde

Nieuw perspectief voor
MC4R-pathway-ziekten,
kom in actie.

In dit magazine

Voorwoord
Integrale aanpak noodzakelijk bij monogenetische ernstige obesitas
Wat klein begon, is uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk
4-0 achter met hypothalame obesitas
Gezonde leefstijl is heel lastig voor kinderen met (genetisch bepaalde) hyperfagie
Medicatie is niet bedoeld voor weer in je jurk te passen
Steeds meer inzicht in zeldzame ziekten dankzij genetisch testen
Mijn vermoeden van het Bardet-Biedl syndroom klopt vaak wel
Meer aandacht nodig voor de hypothalamus
Colofon

Voorwoord

Van onze redactie

Autosomaal dominante mutaties in de melanocortine-4-receptor (MC4R)-pathway zijn de belangrijkste oorzaak van monogenetische ernstige obesitas bij kinderen. Deze genetische deficiënties werken generaties lang door en hebben behalve gevolgen voor de gezondheid ook een sterk stigmatiserend effect, aldus prof. dr. Edgar van Mil, kinderarts-endocrinoloog in het Jeroen Bosch ziekenhuis en verbonden aan de Universiteit Maastricht. ‘Een integrale aanpak is cruciaal om deze kinderen en hun familie te helpen.’

Ook aan het woord komt Bendert de Graaf die samen met zijn vrouw in 2016 de Bardet-Biedl Stichting oprichtte nadat zij als ouders van een kind met het Bardet-Biedl syndroom aanliepen tegen gebrek aan informatie over de aandoening, onduidelijkheid over expertise van artsen en een inefficiënte zorg.

Inmiddels is er een polikliniek ciliopathieën voor kinderen, zijn er plannen voor een expertisecentrum, is een internationaal netwerk van experts opgebouwd en is er een begin gemaakt met een patiëntenregister voor onderzoek.

Een andere zeldzame aandoening die kan leiden tot hypothalame disfunctie met vermoeidheid en obesitas als voornaamste symptomen is craniofaryngeoom. Jaarlijks worden in Nederland 1 à 2 mensen per miljoen inwoners gediagnosticeerd met deze congenitaal aangelegde benigne tumor aan de hypofyse. ‘Dit heeft grote impact op de kwaliteit van leven’, aldus Johan de Graaf, voorzitter van de Nederlandse Hypofyse Stichting. ‘Met een craniofaryngeoom op jonge leeftijd sta je 4-0 achter in het leven.’

Bij een klein deel van de kinderen met obesitas is een genetische afwijking de belangrijkste achterliggende oorzaak. Bij deze kinderen is meer nodig dan adviezen over het aanpassen van de leefstijl. Erica van den Akker en Gerthe Kerkhof, beiden verbonden aan het Erasmus MC Centrum Gezond Gewicht geven uitleg.

Het is belangrijk volwassenen te identificeren bij wie een mutatie of variant in één gen de drijvende kracht is achter hun obesitas, stelt obesitas-arts Mariëtte Boon, verbonden aan het Centrum Gezond Gewicht van het Erasmus MC. Ook al vormen zij maar een paar procent van alle volwassenen met obesitas in Nederland.

Als een kind obesitas heeft maar dit komt verder niet voor in de familie, kan een genetische test worden ingezet om de oorzaak te achterhalen. 'Het genetisch testen wordt steeds specifieker', zegt Mieke van Haelst, klinisch geneticus in het Emma Center for Personalized Medicine in Amsterdam.

Eén of twee keer per jaar ziet Carel Hoyng een kind met het Bardet-Biedl syndroom. Hij is als hoogleraar oogheelkunde in het Radboudumc in Nijmegen onder meer gespecialiseerd in erfelijke ziekten van het netvlies.

Volgens Hanneke van Santen, kinderarts-endocrinoloog in het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie en in het Wilhelmina Kinderziekenhuis UMC, Utrecht, is de hypothalamus een onderbelicht orgaan, terwijl het de kernregulator van je hele lijfelijke balans.

Bezoek www.path4hcps.com

Bekijk de volgende informatie

  • educatief materiaal over aandoeningen aan de melanocortine
  • 4 receptor (MC4R) pathway
  • gepubliceerde studies in de kennisbank
  • de MC4R Journal
  • wetenschappelijk onderbouwde informatie over de melanocortine-4-receptor pathway
  • webinars, presentaties, informatiematerialen en publicaties.

Integrale aanpak noodzakelijk bij monogenetische ernstige obesitas

Auteur: Nathalie Ekelmans, medisch journalist
Autosomaal dominante mutaties in de melanocortine-4-receptor (MC4R)- pathway zijn de belangrijkste oorzaak van monogenetische ernstige obesitas bij kinderen. Deze genetische deficiënties werken generaties lang door en hebben behalve gevolgen voor de gezondheid ook een sterk stigmatiserend effect, aldus prof. dr. Edgar van Mil, kinderarts-endocrinoloog in het Jeroen Bosch ziekenhuis, ’s-Hertogenbosch en verbonden aan de Universiteit Maastricht. ‘Een integrale aanpak is cruciaal om deze kinderen en hun familie te helpen.1 Via onze netwerkaanpak proberen wij hen toe te leiden naar de juiste zorg en hopelijk uiteindelijk ook naar geschikte medicatie.’

Verder kijken dan de kilo’s, is de slogan van Van Mil. ‘Mensen die al generaties lang worstelen met ernstige obesitas en gestigmatiseerd worden als “dik, dom, gebrek aan discipline” hebben het op diverse fronten zwaar. Voor mensen met een lagere sociaaleconomische status (SES) belemmert dit hun maatschappelijke kansen nog sterker.’ Vanuit het centrum voor leefstijlgeneeskunde voor kinderen van het Jeroen Bosch Ziekenhuis (JBZ) is een netwerkaanpak ontwikkeld die meer omvat dan alleen medische zorg en verder reikt dan de kinderleeftijd. Het is een integrale aanpak waarbij het medische en het sociale domein samenwerken en de families ondersteunen in het aangaan van een gezondere leefstijl.2,3 Dit kan gaan om leefstijlondersteuning en maar waar nodig ook om hulp bij schuldsanering, neuropsychologisch onderzoek, opvoedondersteuning of systeemtherapie.

Promotieonderzoek Sanne de Laat

Ouders van kinderen van 4-12 jaar met overgewicht en obesitas en ouders van een controlegroep vulden een vragenlijst in bij aanvang (n=91), na 3 maanden (n=68) en na 1 jaar (n=58). De gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven werd gemeten met de Quality of Life Inventory (PedsQL)-vragenlijst en voor kinderen met obesitas ook met de Impact of Weight on Quality of Life (IWQoL)-vragenlijst. De BMI-scores zijn afgeleid uit 79 dossiers van de jeugdgezondheidszorg. Na 3 maanden scoorde de groep die intensief begeleid werd beter dan de controlegroep wat betreft de ontwikkeling van PedsQL. Er was een toename van de totale PedsQL-score na een jaar voor de hele groep, maar werden geen groepsverschillen gevonden voor de totale IWQoL-scores. Voor de hele groep was er een significante BMI-daling na 3 maanden.4

Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven

Van Mil: ‘Onze netwerkaanpak is samen met andere gemeenten doorontwikkeld en blijkt inmiddels succesvol.4,5 We focussen niet alleen op het verminderen van overgewicht, maar op verbetering van het gewichtsgerelateerde gezondheidsrisico en kwaliteit van leven. Een coördinerende professional, vaak afkomstig van de jeugdgezondheidszorg, helpt gezinnen de onderliggende problemen te herkennen en aan te pakken. Het promotieonderzoek van Sanne de Laat uit 20224 laat zien dat dankzij de netwerkaanpak de kwaliteit van leven verbetert en het overgewicht afneemt.’ (Zie kader.)

Diagnosestelling

Van Mil streeft ernaar kinderen met extreem overgewicht via de netwerkaanpak en doorverwijzingen uit het hele land zo vroeg mogelijk in beeld te krijgen. ‘Bij een kind dat op 15-jarige leeftijd 150 kilo weegt, zal men meteen denken aan een monogenetische obesitas. Veel beter zou het zijn als dezelfde jongen al op 4-jarige leeftijd in beeld komt.

‘Het is zo ingewikkeld om de juiste zorg op de juiste plek te krijgen’

Want wanneer een kind voor het zesde levensjaar niet de juiste behandeling krijgt, is het erg moeilijk om van de obesitas af te komen. Het gevolg is een levenslange strijd tegen de kilo’s.’ Samen met de teams van het expertisecentrum voor (genetische) obesitas van het Erasmus MC en het MaastrichtUMC+ proberen de zorgverleners in het JBZ zo veel mogelijk kennis over te dragen aan kinder- en jeugdartsen in heel Nederland over het opsporen van deze kinderen. Van Mil: ‘De diagnosestelling is de laatste jaren verbeterd, maar nog niet optimaal. Daarom zetten wij ons in om zorgprofessionals goed op de hoogte brengen van de winst van vroegtijdig diagnosticeren of in elk geval door te verwijzen naar de gespecialiseerde centra.’

Winst van de integrale aanpak

De kinderen die doorverwezen worden naar het JBZ zijn volgens Van Mil toch nog slechts een deel van de hele populatie met een monogenetische obesitas. ‘Reden hiervoor is dat het opsporen van deze kinderen geen waterdicht systeem is. Het zijn namelijk niet allemaal kinderen die op de consultatiebureaus “uit de curves groeien”. Wel gedragen de curves zich anders. Ze vragen om een nieuwe interpretatie en dat kun je leren. Heel belangrijk is het om daarnaast integraal te kijken en ook de gezinssituatie mee te nemen bij de diagnosestelling en andere factoren die mee kunnen spelen.’ Zo noemt hij als voorbeeld een jongen die volledig vastliep en niet meer naar school ging. ‘Het komt voor dat wij jongeren doorverwezen krijgen door de GGD vanwege sociale problematiek en er ook iets mis blijkt te zijn met hun stofwisseling. Zo werkt het beide kanten op: dat is de winst van de integrale aanpak.’

Al sinds 1995 zet prof. dr. Edgar van Mil zich in voor kinderen met overgewicht. Zijn boek Overgewicht en Obesitas bij Kinderen. Verder kijken dan de kilo’s heeft als inspiratiebron gefungeerd voor de netwerkaanpak. In dit boek worden wetenschap en praktijk in begrijpelijke taal omgezet naar een gestructureerde aanpak op lichamelijk, psychologisch en systemisch gebied. ISBN 9789089534262



Behandeling

Wat zijn de behandelmogelijkheden na de diagnose? Leefstijl blijft de basis, stelt Van Mil, maar bij een gendefect is daarnaast gerichte medicatie noodzakelijk. Medicatie helpt bovendien om de gezonde(re) leefstijl beter vol te houden. ‘Kinderen met de monogenetische aandoening hebben aanleg voor overgewicht in de meest extreme vorm. Behandeling is daarom ontzettend belangrijk omdat deze groep bijna niet geholpen kan worden, anders dan met gerichte medicijnen. Er zijn behandelingen mogelijk; denk aan setmelanotide, een melanocortine-4 (MC4) receptoragonist voor de behandeling van obesitas bij kinderen vanaf 6 jaar. Ook zijn er eetlustremmers als liraglutide en semaglutide. Deze zijn goedgekeurd voor kinderen vanaf 12 jaar, maar worden niet vergoed. Persoonlijk vind ik dit enorm frustrerend. We geven de medicatie in studieverband en zien de positieve effecten ervan, maar kunnen er geen vervolg aan geven. We hebben dus zeker iets te bieden, maar het is zo ingewikkeld om de juiste zorg op de juiste plek te krijgen. Hier speelt ook het stigma bij beleidsmakers een rol. Overgewicht is niet altijd enkel een kwestie van een ongezonde leefstijl, zoals velen nog denken. Soms lukt het om kinderen te helpen met leefstijlbegeleiding, maar daar is een compleet begeleidingsteam voor nodig en dan nog blijft het een leven lang topsport. Is er sprake van een niet-behandelbaar gendefect, dan is leefstijl op dit moment de enige mogelijkheid. Wanneer het dan alleen al lukt het tij te keren door de BMI-curve iets af te buigen, is dat gezondheidswinst.’

Combinatie leefstijl en medicatie

‘Het is fantastisch dat we nu medicijnen hebben voor een heel bijzondere groep van kinderen en volwassenen met genetische obesitas. Laten we daarbij zeker ook blijven kijken naar wat nodig is voor de hele populatie mensen met ernstig overgewicht. Een groot deel van hen heeft namelijk een lichtere vorm van dezelfde genmutatie of een combinatie van mutaties. De enige medische behandeling die tot voor kort geboden kon worden, was bariatrische chirurgie op volwassen leeftijd. Nu er medicatie komt, gaat dat veranderen. Dat is goed, maar ik blijf hameren op leefstijl. Leefstijl is de basis, waar nodig in combinatie met gerichte medicijnen.’


REFERENTIES

  1. 1. Van Mil E, Koetsier L, Seidell J, et al. Integrated care for childhood obesity within the medical and municipal domain. Hormone Research in Paediatrics. 2023;96:510.
  2. 2. Halberstadt J, Koetsier LW, M Sijben M, et al. The development of the Dutch ‘National model integrated care for childhood overweight and obesity’. BMC Health Serv Res. 2023;23:359.
  3. 3. de Laat S, de Vos I, Jacobs M, et al. The evaluation of an integrated network approach of preventive care for children with overweight and obesity; study protocol for an implementation and effectiveness study. BMC Public Health. 2019;19:979.
  4. 4. De Laat, SAA. Integrated care for childhood overweight and obesity: Implementation, experiences and effects of an innovative approach with the youth health care nurse as coordinating professional. Enschede: Iskamp Printing, 2022.
  5. 5. JBZ: ‘Integrale netwerkaanpak voor kinderen met eetstoornis’ een succes. Den-bosch.nieuws.nl. 31 januari 2024.

PROF. DR. E.G.A.H. (EDGAR) VAN MIL
kinderarts-endocrinoloog,kinderarts-endocrinoloog,
Jeroen Bosch ziekenhuis, ’s-Hertogenbosch
bijzonder hoogleraar Jeugd, Voeding en Gezondheid,
Universiteit Maastricht

Wat klein begon, is uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk

Auteur: Jenneke van de Streek, wetenschapsjournalist
Nadat zij als ouders van een kind met het Bardet-Biedl syndroom aanliepen tegen gebrek aan informatie over de aandoening, onduidelijkheid over expertise van artsen en een inefficiënte zorg, richtten Bendert de Graaf en zijn vrouw in 2016 de Bardet-Biedl Stichting op. Inmiddels is er een polikliniek ciliopathieën voor kinderen, zijn er plannen voor een expertisecentrum, is een internationaal netwerk van experts opgebouwd en is er een begin gemaakt met een patiëntenregister voor onderzoek.

In 2013 beviel de vrouw van Bendert de Graaf van een zoon met extra vingers. De vraag aan hun artsen of het kind mogelijk een syndroom had, werd afgewimpeld, vertelt De Graaf. ‘De arts zei: “Welnee, een op de zeven kinderen heeft een extra vinger. We laten dat kind opereren en dan komt het komt goed.” Mijn vrouw maakte zich echter zorgen over de snelheid van zijn ontwikkeling en had het gevoel dat er iets niet goed was, maar zij kreeg geen gehoor.’ Totdat zij zwanger was van haar tweede kind, waarbij op de 20-weken echo cystenieren, klompvoetjes en ook een extra vinger werden gezien. De verwachting was dat het kind niet levensvatbaar was of onmiddellijk een transplantatie nodig had, waardoor De Graaf en zijn vrouw moesten besluiten om de zwangerschap af te breken.

Uitdaging

Een uitdaging voor De Graaf is om ook de zorg voor volwassen patiënten goed te regelen. Hij heeft inmiddels goede contacten met diverse artsen, waaronder prof. dr. Mieke van Haelst die in het Amsterdam UMC zowel poli houdt voor jonge en volwassen Bardet-Biedl patiënten. Er zijn intussen plannen om een meer specifieke Bardet-Biedl polikliniek op te zetten in het Emma Center voor Personalized Medicine.2

BBS1-gen

DNA-onderzoek van het kind wees op het Bardet-Biedl syndroom (BBS) en dat beide ouders drager waren van het BBS1-gen. Bij de bespreking van de uitslag in het Isala ziekenhuis in Zwolle was een klinisch geneticus uit Groningen aanwezig. ‘Zij hoorde ons bij de intake al praten met onze zoon die toen mee was en hoorde ons zeggen dat hij moeizaam sprak en nog geen papa kon zeggen. Zij had opgezocht of er iets bijzonders was met onze zoon en zag dat bij hem de extra vingers waren verwijderd. Haar advies was om hem ook te testen, omdat een extra vinger ook een kenmerk is van Bardet-Biedl syndroom. Mijn vrouw zei meteen: “Ik wist het, hij heeft het ook.”’ De Graaf kreeg van de klinisch geneticus een stapel Engelstalige artikelen mee over het Bardet-Biedl syndroom. Nederlandse informatie was er nog niet. ‘Ik weet dat u gepromoveerd moleculair bioloog bent, dus u kunt dat wel lezen’, zei ze.’ De Graaf was verbouwereerd. ‘Hoe is het mogelijk dat ouders op deze manier hun informatie krijgen, dacht ik.’ Na een online zoekactie naar informatie over de aandoening besloot hij met zijn vrouw de Stichting Bardet-Biedl Syndroom op te richten.1 ‘Mijn vrouw had behoefte aan contact met andere ouders. Ik wilde vooral de informatievoorziening in Nederland verbeteren, maar ook de onderzoekagenda beïnvloeden.’

Zorg beter organiseren

De Graaf wilde weten waarom er zoveel onbekend was en wie de experts waren voor deze aandoening. Er was geen informatie in Nederland, behalve dat een paar kinderartsen ervaring hadden met het syndroom. Hij deed daarom een enquête uit onder ouders van kinderen met BBS en de terugkoppeling bevestigde de behoefte en frustraties van De Graaf en zijn vrouw. Zelf bezocht hij met zijn kind in die tijd wel twintig specialisten per jaar. ‘Dat betekent twintig keer vrij nemen van school en werk om naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht te gaan. Twintig keer dezelfde standaardonderzoekjes, twintig keer stress enzovoort.’ Hij realiseerde zich dat dat niet efficiënt is. Tijdens een meeting met enkele experts op het gebied van BBS, merkte hij dat ook zij zoekende waren en niet altijd met andere specialisten kennis uitwisselden over de behandeling van mensen met het Bardet-Biedl syndroom. ‘Er werden onvoldoende relaties gelegd tussen verschillende kenmerken van het syndroom.’ Op dat moment besloot De Graaf om te proberen de zorg beter te organiseren. Uiteindelijk leidden de vele gesprekken met diverse specialisten tot een speciale polikliniek voor ciliopathieën in het Wilhelmina Kinderziekenhuis Utrecht, waar ouders en kinderen met het Bardet-Biedl syndroom een keer per jaar alle nodige specialisten zien.

‘Wij proberen een totaaloverzicht te geven van kennis, expertise en vragen die bij alle betrokkenen leven’

Patiëntenregister

In 2022 sprak De Graaf op de European Cilia Conference met patiënten, onderzoekers en artsen. Hij bezocht ook specialisten in andere landen en zij kwamen naar Nederland. ‘Zo begon er langzaam een internationaal netwerk te ontstaan.’

In het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn de ontwikkelingen het verst gevorderd en daar zijn ook patiëntenregisters opgezet. ‘Dat willen we nu ook in Nederland organiseren vanuit het Emma expertisecentrum in samenwerking met expertisecentra in Rotterdam, Utrecht en Nijmegen. Wij willen alle gegevens van Bardet-Biedl patiënten opnemen in een digitaal patiëntenregister. In Nederland zijn naar schatting 150 patiënten. Als je wereldwijd op dezelfde manier registreert en gegevens van duizenden patiënten in de database hebt, dan worden trends zichtbaar, is onderzoek mogelijk en wordt het verloop van ziektekenmerken op basis van genetische informatie duidelijker. Dat levert mogelijk een antwoord op de eerste vraag van ouders die met deze ziekte worden geconfronteerd: wat kan ik verwachten en wanneer?’

Vorig jaar is in Amsterdam UMC een pilot uitgevoerd voor het patiëntenregister en zijn de eerste patiënten geregistreerd. Intussen is ook een promovendus aangesteld om het register verder te vullen. ‘Deelname is op vrijwillige basis, maar wij willen dat zo veel mogelijk mensen meedoen. Wij gaan daarom informatiebijeenkomsten organiseren om te benadrukken wat de patiënt er aan heeft.’

Onderzoek

De Stichting Bardet-Biedl Syndroom werkt ook mee aan wetenschappelijk onderzoek, soms in samenwerking met de farmaceutische industrie. Het valt De Graaf daarbij op dat er in Nederland een grote scheiding is tussen onderzoekers van de academie en de farmacie, waardoor veel onderzoeksvragen blijven liggen die voor patiënten juist belangrijk zijn. Hij probeert daarom te bemiddelen tussen de drie betrokken groepen. Wat klein begon, is inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk. De Graaf doet vanuit Nederland het werk met ondersteuning van zijn vrouw. Er is wereldwijd contact met ouders en patiënten via e-mail en social media, er is een nieuwsbrief, er zijn discussiegroepen en er worden bijeenkomsten georganiseerd waar alles samenkomt. De Graaf is tevreden over de gang van zaken in Nederland. ‘Mensen met het Bardet-Biedl syndroom, verzorgers, artsen en onderzoeker kunnen elkaar nu makkelijker vinden. Zij komen ook regelmatig met vragen. Samen met mijn vrouw probeer ik een soort linking pin te zijn tussen al die groepen. Wij proberen een totaaloverzicht te geven van kennis, expertise en vragen die bij alle betrokkenen leven.’ De beweging die is ontstaan bij Bardet-Biedl, gaat intussen verder in een overkoepelende samenwerking voor alle ciliopathieën, CilNetNL.

Met zijn zoon gaat het nu eigenlijk heel erg goed. ‘Hij is nu 10 jaar oud. In positieve zin wijkt hij af van de klachten die we zouden verwachten. Hij heeft behalve van zijn spraak nog nergens last van, ook niet van hyperfagie (pathologische, onverzadigbare honger), wat veel voorkomt bij Bardet-Biedl patiënten. Zijn grootste probleem op dit moment is dat hij slecht verstaanbaar is vanwege zijn spraakproblemen.’


REFERENTIES

  1. 1. Stichting Bardet-Biedl Syndroom. bardetbiedlsyndroom.nl
  2. 2. Emma Center for Personalized Medicine. emmacenter.nl

DR. B. (BENDERT) DE GRAAF
voorzitter Bardet-Biedl Stichting

4-0 achter met hypothalame obesitas

Auteur: Nathalie Ekelmans, medisch journalist
Jaarlijks worden in Nederland 1 à 2 mensen per miljoen inwoners gediagnosticeerd met een craniofaryngeoom, een congenitaal aangelegde benigne tumor aan de hypofyse.1 Deze zeldzame aandoening kan leiden tot hypothalame dysfunctie met vermoeidheid en obesitas als voornaamste symptomen. ‘Dit heeft grote impact op de kwaliteit van leven’, aldus Johan de Graaf, voorzitter van de Nederlandse Hypofyse Stichting. ‘Met een craniofaryngeoom op jonge leeftijd sta je 4-0 achter in het leven.’

Kinderen met een craniofaryngeoom verzuimen relatief veel school vanwege ernstige vermoeidheid en raken daardoor achter. Ze komen in korte tijd veel aan, behalen vaak met moeite een diploma en passend werk vinden is daardoor een hele opgave. Ook een relatie aangaan is niet vanzelfsprekend; de meeste ouderen met een craniofaryngeoom zijn single, weet De Graaf. Daarnaast laten studies zien dat craniofaryngeoompatiënten vaker dan mensen met een andere hypofyseaandoening te maken hebben met gezondheidsproblemen: uitval van hypofysehormonen (95%), visusproblemen (75%), obesitas (50%), neurologische uitval (25%) en epilepsie (20%).2

Hypothalame obesitas

Een van de belangrijkste risicofactoren voor hypothalame obesitas is ingroei van tumoren (preoperatief) in de hypothalamus. Hypothalame obesitas ontstaat bij 65 tot 80% van de patiënten na behandeling voor een craniofaryngeoom, hetzij na het operatief verwijderen van de craniofaryngeoom of na radiotherapie.3 De ingreep is noodzakelijk om erger te voorkomen, maar de hypothalamus raakt zodanig beschadigd dat patiënten niet meer normaal kunnen functioneren. Door de veranderde stofwisseling neemt het gewicht sterk toe en kost afvallen zeer veel moeite.

Tijd tot diagnose

De Graaf ziet in zijn werk dagelijks de gevolgen van een craniofaryngeoom en zet zich met de ongeveer zestig vrijwilligers van de Nederlandse Hypofyse Stichting en experts uit binnen- en buitenland in om meer bewustwording te creëren en onderzoek te doen. ‘We beschouwen het als onze taak om ouders zo goed mogelijk te informeren, zodat zij de artsen gerichte vragen kunnen stellen wanneer ze het vermoeden hebben dat hun kind een hypothalame aandoening heeft. Juist omdat het zo zeldzaam is – jaarlijks gaat het om “slechts” twintig kinderen – kan het lang duren voordat de diagnose wordt gesteld. Bij een kleine 40% is dat nu binnen een half jaar, maar bij bijna 8% van de gevallen duurt het langer dan vijf jaar.4



Figuur 1.

Tijd tussen het optreden van de eerste symptomen tot het moment van de definitieve diagnose van de suprasellaire hersentumor, zoals gerapporteerd door patiënten of hun ouders/verzorgers.4

Figuur 2.

Grootste ontvangen en gewenste zorgbehoeften4

Ouders hebben in de tussentijd vaak al heel wat hulp gezocht, maar geen sluitend antwoord gekregen. Soms is hun kind dan al zijn of haar visus (deels) kwijtgeraakt door schade aan de oogzenuw of chiasma. Hoe eerder de tumor door ervaren neurochirurgen verwijderd wordt, hoe minder schade en hoe groter de kans dat het kind een redelijk normaal leven kan leiden.’ Overigens benadrukt De Graaf dat de late diagnose huisartsen niet te verwijten is. ‘Deze zien in hun carrière hooguit één keer een niet-gediagnosticeerde hypofysepatiënt’, aldus De Graaf. ‘En dan gaat dat in de meeste gevallen om een prolactinoom (60-70%) en zeer zelden om een craniofaryngeoom, slechts in enkele procenten. Niet verwonderlijk dat de diagnose dan gemist wordt.’

Signalen

De oproep van De Graaf aan artsen is: wees alert op signalen. Blijft de groei van een kind achter, verslechtert de visus doordat het craniofaryngeoom tegen het chiasma aandrukt, is het kind meer dan gemiddeld vermoeid of zijn er andere hormonale uitvalsverschijnselen? Dan zijn dat belangrijke signalen die reden kunnen zijn voor verder onderzoek.

Zorgvraag

Naast het geven van voorlichting werkt de Nederlandse Hypofyse Stichting mee aan (internationale) onderzoeken. Zo is samen met het Prinses Máxima Centrum een internationale survey gedaan onder 353 patiënten met hypothalamusdisfunctie na craniofaryngeoom (82,2%), laaggradig glioom (3,1%) of een hypofysetumor (8,2%). Obesitas en vermoeidheid werden als de belangrijkste gezondheidsproblemen genoemd, respectievelijk 50,7 en 48,2%. Waar het gaat om de zorg blijkt er behoefte aan hulp bij voeding, lichaamsbeweging en psychosociale problemen. Suggesties van patiënten voor toekomstig onderzoek omvatten nieuwe behandelingen voor hypothalame obesitas en alternatieve manieren voor hormoontoediening.

‘Krachtenbundeling is essentieel’

Internationaal netwerk Endo-ERN

Per land gaat het om kleine aantallen patiënten met een craniofaryngeoom. Om de zorg rond endocriene aandoeningen te verbeteren is Endo-ERN opgericht, een Europees netwerk van zorgverleners en patiëntvertegenwoordigers.5 Binnen Endo-ERN werken de Nederlandse, Duitse en Britse hypofysepatiëntenverenigingen – de enige in Europa – en zorgverleners samen om de zorg voor hypofysepatiënten te optimaliseren. De Graaf: ‘Krachtenbundeling is essentieel. Gezamenlijk vertegenwoordigen we een groot aantal patiënten binnen Europa en veel van het onderzoek vindt plaats op Europees niveau. In Nederland zelf organiseren we als stichting arts-patiëntbijeenkomsten, ontwikkelen we voorlichtingsmateriaal en werken we mee aan Nederlandse en Engelstalige webinars. Zo hopen we meer bekendheid te creëren over deze ingrijpende aandoening en bij te dragen aan een eerdere diagnose en de best mogelijke behandeling.’

REFERENTIES

  1. 1. Nederlandse Hypofyse Stichting: Hypofyse.nl
  2. 2. Nederlandse Hypofyse Stichting: Hypofyse.nl. Hypofyse informatiebibliotheek. Overgewicht bij craniofaryngeoom (artikel). Uit: Hyponieuws 1 - 2017
  3. 3. Nederlandse Hypofyse Stichting: Hypofyse.nl. Hypofyse informatiebibliotheek. Dr. Van Santen. Hypotholame obesitas na behandeling craniofaryngoom (artikel).
  4. 4. Van Roessel IMAA, De Graaf JP, de Biermasz NR, et al. Acquired hypothalamic dysfunction in childhood: ‘what do patients need?’ – an Endo-ERN survey. Endocr Connect. 2023;12:e230147
  5. 5. Endo-ERN. www.endo-ern.eu

Meer informatie vindt u op https://www.hypofyse.nl/

YouTubevideo’s gericht op patiënten en ouders:
https://www.youtube.com/watch?v=JmKq0EaAtQo

en gericht op volwassen patiënten:
https://www.youtube.com/watch?v=Cbt3Zw-_P3Y

Bekijk ook het webinar over craniofaryngeoom en hypothalame obesitas gericht op zorgverleners.

J. (JOHAN) DE GRAAF
voorzitter Nederlandse Hypofyse Stichting

Gezonde leefstijl is heel lastig voor kinderen met (genetisch bepaalde) hyperfagie

Auteur: Marten Dooper, medisch journalist
Bij een klein deel van de kinderen met obesitas is een genetische afwijking de belangrijkste achterliggende oorzaak. Bij deze kinderen is meer nodig dan adviezen over het aanpassen van de leefstijl. Prof. dr. Erica van den Akker en dr. Gerthe Kerkhof, beiden verbonden aan het Erasmus MC Centrum Gezond Gewicht en het Expertisecentrum Prader- Willi(-like) syndroom, geven uitleg.

Sommige kinderen hebben al vanaf hun geboorte een letterlijk onstilbare eetlust. Bij gebrek aan verzadiging kunnen ze tot brakens toe blijven eten. Hun hele dag staat in het teken van op zoek zijn naar voedsel. 'Bij deze kinderen is doorgaans sprake van genetisch bepaalde hyperfagie', legt Van den Akker uit. 'Een aangeboren genetische afwijking leidt bij hen tot een ontregeling van de eetlust, verzadiging en energieverbruik van het lichaam. Dat uit zich in een snelle toename van het lichaamsgewicht uitmondend in ernstige obesitas.'

'In de praktijk onderscheiden we twee vormen van genetisch bepaalde obesitas', vult Kerkhof aan. 'We spreken van monogenetische obesitas als er sprake is van een mutatie of variatie in één gen dat betrokken is bij het regelen van de eetlust en het lichaamsgewicht. Bijvoorbeeld een mutatie in het gen voor de leptinereceptor waardoor deze receptor niet goed wordt aangemaakt en er geen verzadigingsgevoel optreedt. [Zie ook kadertekst, red.] Dergelijke kinderen zijn te herkennen aan hun extreme eetlust en vaak een opvallend gewichtsverschil met de andere leden uit de familie. Daarnaast kan zo'n genetische afwijking onderdeel zijn van een cluster van afwijkingen, dan spreken we van syndromale obesitas. Voorbeelden daarvan zijn het Prader-Willi syndroom en het Bardet-Biedl syndroom. Deze kinderen vertonen naast de hyperfagie en daaruit voortkomende obesitas andere typische kenmerken, waaronder vaak gedragsafwijkingen, ontwikkelingsachterstanden en groeistoornissen. Al met al betreft het zeer heterogene ziektebeelden.'

De melanocortine-4-receptor (MC4R)-pathway is een fysiologische route in de hypothalamus die onder andere de mate van eetlust, verzadiging en energieverbruik regelt. Activering van de MC4-receptoren in de hypothalamus leidt tot toename van de verzadiging en afname van de eetlust. Activering van de MC4-receptoren komt onder andere tot stand na aanmaak van pro-opiomelanocoride (POMC) en melanocytstimulerend hormoon (MSH) als reactie op de binding van leptine aan leptinereceptoren (LEPR) in de neuronen in de hypothalamus. Remming van de activatie van MC4-receptoren in de hypothalamus leidt tot het omgekeerde, dus meer eetlust. Dit komt tot stand onder invloed van de aanmaak van neuropeptide Y (NPY) en agouti-gerelateerde peptide (AGRP). BBS, Bardet Biedl syndrome, AgRP, agouti-related peptide; LEPR, leptin receptor; NCOA1, Nuclear Receptor Coactivator 1; MC4R, melanocortin-4 receptor; MSH, melanocyte-stimulating hormone; PCSK1, proprotein convertase subtilisin/kexin type 1; POMC, proopiomelanocortin. Referenties: 1. Krashes MJ, et al. Nat Neurosci. 2016;19(2): 206-219; 2. Cone RD. Endocr. Rev. 2005;27(7):736-749; 3. Loos RFJ, Yeo GSH. Nat Rev Gens. 2022;23(2): 120-133.

Obesitas: noodzaak voor goede diagnostiek

Optimale behandeling van obesitas is zeer belangrijk, voor zowel de korte als lange termijn. Om een behandeling op maat voor obesitas te kunnen bieden en patiënten naar de juiste ondersteuning/zorg toe te leiden op de juiste plek, is het cruciaal dat bij iedere patiënt goede diagnosestelling van obesitas wordt verricht. Op de website www.checkoorzakenovergewicht.nl vindt u betrouwbare informatie over de oorzaken van overgewicht.

Andere aanpak nodig

Van het totaal aantal kinderen met obesitas is bij slechts een zeer klein gedeelte van hen de obesitas het gevolg van een genetische afwijking (al dan niet als onderdeel van een syndroom). Kerkhof: 'De syndromen zijn zeer zeldzaam. Prader-Willi, bijvoorbeeld, komt voor bij naar schatting 1 op de 20.000 tot 30.000 kinderen. Andere syndromen zijn nog zeldzamer.' Van den Akker: 'In totaal is er bij hooguit een paar procent van de kinderen met obesitas die onder behandeling zijn bij een obesitaspoli sprake van een onderliggende genetische oorzaak van hun ernstig overgewicht. Bij het overgrote deel van de kinderen is de obesitas het gevolg van leefstijl in combinatie met aanleg voor overgewicht. Maar het is wel belangrijk om die paar procent met een genetische oorzaak op te sporen. Want bij hen is een andere aanpak nodig dan bij de kinderen bij wie de leefstijl de belangrijkste motor achter de obesitas is.' 'Het feit dat bij deze kinderen hyperfagie de belangrijkste motor is achter de obesitas maakt de behandeling extra lastig', stelt Kerkhof. 'Zolang die hyperfagie er is, is het voor de kinderen bijna onmogelijk een gezonde leefstijl aan te leren en deze vast te houden. Immers, drang om te eten zit bij hen als een verslaving in hun hersenen. Bij de kinderen met syndromale obesitas komt daar nog bij dat de gedragsafwijkingen en/of een verstandelijke beperking het extra moeilijk maken iets aan de leefstijl te veranderen. De behandeling van kinderen met genetisch bepaalde obesitas, bijvoorbeeld binnen ons. Prader-Willi expertisecentrum en Centrum voor Gezond Gewicht, heeft daarom een multidisciplinaire aanpak waarbij diëtisten, orthopedagogen, fysiotherapeuten, kinderartsen en kinderendocrinologen nauw samenwerken. Zo leren kinderen bijvoorbeeld met een "stippendieet" in te schatten hoeveel kilocalorieën een maaltijd bevat. En natuurlijk is ook voorlichting en begeleiding van de ouders een belangrijk onderdeel van de aanpak. We leren hen hoe ze zo goed mogelijk om kunnen gaan met de hyperfagie en ook de eventuele gedragsproblemen van hun kind.

We proberen bij ieder kind een behandeling op maat te ontwikkelen.' Van den Akker: 'Ik wil er overigens op wijzen dat ook bij de kinderen met genetisch bepaalde obesitas de verbetering van de leefstijl de hoeksteen van de behandeling vorm. Maar er is bij hen dus meer nodig.'

Delay in diagnose

Voordat de behandeling kan starten, moet natuurlijk de diagnose 'genetisch bepaalde obesitas' zijn gesteld. Kerkhof: 'Kinderen met bepaalde vormen van syndromale obesitas zijn daarbij in het voordeel; zij worden als gevolg van hun andere typische kenmerken meestal redelijk vroeg herkend en gediagnosticeerd. Prader-Willi syndroom, bijvoorbeeld, wordt in ons land bijna altijd al in de eerste levensmaanden gediagnosticeerd. Dus nog voordat er sprake is van overgewicht. Dat maakt dat we met een gerichte aanpak bij deze kinderen het overgewicht vaak kunnen beperken of soms zelfs voorkomen. Voor andere syndromen, zoals Bardet-Biedl, Chung-Jansen of Temple syndroom, waarbij de specifieke kenmerken pas later zichtbaar worden, treedt vaak een delay op in de diagnostiek. Als na specifiek genetisch onderzoek uiteindelijk de diagnose is gesteld, is er vaak al sprake van overgewicht bij het kind.' Voor de kinderen met niet- syndromale obesitas ontbreken de overige afwijkende kenmerken die kunnen dienen als rode vlag. Van den Akker: 'Bij hen zijn alleen de hyperfagie en de zeer snelle gewichtstoename signalen dat er iets aan de hand is. In de praktijk blijkt het vaak geruime tijd te duren voordat er voor deze kinderen iemand aan de bel trekt. Anders dan de kinderen met syndromale obesitas komen zij ook niet vanaf hun geboorte in aanraking met kinderartsen. Het moet dus de directe omgeving van het kind zijn die alarm slaat bij de huisarts of jeugdarts.' 'En ook dan treedt er nog vaak delay op', zegt Kerkhof. 'We horen regelmatig van ouders dat zij door zorgverleners niet meteen werden geloofd toen zij meldden dat hun kind onverzadigbaar is.' 'Van den Akker: 'Om de herkenning van hyperfagie te verbeteren geven wij hier nu nascholing over aan huisartsen, jeugdartsen en kinderartsen.'

Mutaties in diverse genen in de MC4R-pathway, zoals loss-of-function-mutaties in het POMC-, PCSK1- of LEPR-gen, voorkomen de aanmaak van MSH en daarmee de activering van MC4-receptoren. Dit veroorzaakt continue eetlust (hyperfagie). Setmelanotide bindt direct aan de MC4-receptoren en omzeilt daarmee het effect van de gemuteerde genen. Referenties: 1. Montague CT, et al. Nature. 1997;387(6636):903-908. 2. Clément K, et al. Nature. 1998;392(6674): 398-401. 3. Krude H, et al. Nat. Genet. 1998;19(2):155-157. 4. Jackson RS, et al. Nat. Genet. 1997;16(3):303-306. 5. Farooqi IS, et al. N Engl J Med. 2003;348(12):1085-1095. 6. Bochuvoka EG, et al. Nature. 2010;463(7281):666-670. 7. Doche ME, et al. J Clin Invest. 2012;122(12):4732-4736. 8. Loos RJF, YEO, GSH. Nat Rev Gens. 2022;23:120-133.

Belangrijkste motor uitschakelen

Zoals gezegd, verandering van leefstijl — waar nodig en mogelijk aangevuld met op maat gemaakte adviezen - vormt de hoeksteen van de behandeling, ook bij kinderen met genetisch bepaalde obesitas. Daarnaast zijn de afgelopen jaren ook diverse medicijnen op de markt gekomen die ondersteuning kunnen bieden. Kerkhof: 'Bij kinderen met Prader-Willi syndroom is het toedienen van groeihormoon inmiddels een standaardbehandeling. Als gevolg van deze behandeling treedt een verbetering op van de lichaamssamenstelling, met toename van spiermassa en afname van vetmassa. We onderzoeken momenteel de effecten van groeihormoon bij kinderen met andere vormen van syndromale obesitas. Daarnaast zijn ook de tegenwoordig bij volwassenen met obesitas zo populaire GLP-1-agonisten als semaglutide en liraglutide onder voorwaarden geïndiceerd bij kinderen met obesitas. Uit onderzoek blijkt dat bij kinderen met syndromale obesitas als gevolg van Prader-Willi syndroom het effect van deze medicijnen minder groot is dan bij kinderen met niet-genetisch bepaalde obesitas. Voor andere syndromen moeten we dit nog uitzoeken.' 'Bij kinderen met niet-syndromale genetisch bepaalde obesitas is het beeld wisselend',

vult Van den Akker aan. 'Sommige kinderen reageren goed op een behandeling met een GLP-1-antagonist; anderen reageren veel minder goed of helemaal niet. Het is dus een kwestie van proberen en kijken of het aanslaat. Daarnaast is er tegenwoordig een medicijn, setmelanotide, dat specifiek aangrijpt op de MC4R-pathway, de fysiologische route die betrokken is bij het regelen van eetlust en verzadiging in de hersenen. Dit medicijn herstelt het verzadigingsgevoel waardoor de hyperfagie sterk afneemt. Dat betekent in de praktijk dat je met dit medicijn bij de kinderen met genetisch bepaalde obesitas de belangrijkste motor achter hun aandoening kunt uitschakelen. Op basis van onderzoek, waaraan wij in Rotterdam ook hebben meegewerkt, is setmelanotide recent door de EMA goedgekeurd voor kinderen vanaf 2 jaar met obesitas bij wie een bi-allelische pathogene genetische afwijking is aangetoond in het POMC-, PCSK-1 of LEPR- gen alle deel uitmakend van de MC4R-pathway of bij wie het Bardet-Biedl syndroom is vastgesteld. Voor de laatstgenoemde indicatie wordt het echter nog niet vergoed door de zorgverzekering. Of het middel ook effectief is bij andere syndromen die gepaard gaan met obesitas wordt momenteel nog onderzocht.'

PROF. DR. E.L.T. (ERICA) VAN DEN AKKER
kinderarts-endocrinoloog, Erasmus MC Centrum Gezond Gewicht, Rotterdam

DR. G.F. (GERTHE) KERKHOF
kinderarts-endocrinoloog, Erasmus MC Centrum Gezond Gewicht, Rotterdam

Medicatie is niet bedoeld voor weer in je jurk te passen.

Auteur: Marten Dooper, medisch journalist
Naar schatting is bij een paar procent van de ruim 2,2 miljoen volwassenen in Nederland met obesitas een mutatie of variant in één gen de drijvende kracht achter hun aandoening. Het is belangrijk deze mensen te identificeren, stelt obesitas-arts dr. Mariëtte Boon, verbonden aan het Centrum Gezond Gewicht van het Erasmus MC. 'Zij komen soms in aanmerking voor bepaalde medicijnen, terwijl bariatrische chirurgie bij hen juist wordt afgeraden.

Obesitas is in Nederland (en veel andere landen op de wereld) letterlijk en figuurlijk een groeiend gezondheidsprobleem. In 2023 voldeed 16 procent van de bevolking van 20 jaar of ouder - oftewel 2,26 miljoen mensen aan de definitie van obesitas (BMI ≥30 kg/m2), meldde het CBS eerder dit jaar.1 Dat is drie keer zoveel als begin jaren tachtig, toen 5 procent obesitas had. Ook het voorkomen van ernstigere vormen van obesitas (BMI ≥35 kg/m2) nam toe, van 1 procent in 1981 naar 4 procent in 2023. Met name in die laatste groep is bij een klein deel van de mensen sprake van een genetische oorzaak van hun ernstige obesitas. Boon: 'De afgelopen decennia is langzaam duidelijk geworden dat mutaties in bepaalde genen de motor kunnen zijn achter het ontstaan van obesitas. Van een aantal genen, onder andere genen die coderen voor eiwitten die deel uitmaken van de MC4R-pathway, weten we inmiddels dat sommige mutaties leiden tot hyperfagie als gevolg van het wegvallen van het verzadigingsgevoel. Deze mensen ontwikkelen door hun aanhoudende eetlust al op jonge leeftijd ernstig overgewicht. En dat heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid. Een jong kind met onbehandelde obesitas heeft, als gevolg van zich snel ontwikkelende complicaties als diabetes en hart- en vaatziekten, een levensverwachting van minder dan veertig jaar.'

Genetische test zeg niet alles

Hoe groot het percentage volwassenen met genetisch bepaalde (ernstige) obesitas precies is, valt lastig te zeggen. 'De kennis over welke genen betrokken zijn bij het ontstaan van obesitas groeit nog steeds. We weten dat 40 tot 70 procent van de aanleg voor het gewicht genetisch is bepaald. Maar dit betreft tal van genen die allemaal een beetje bijdragen; we noemen dit polygenetisch. Als we spreken over genetische bepaalde obesitas bedoelen we obesitas die veroorzaakt wordt door een mutatie in één gen of een stukje van het chromosoom oftewel een monogenetische oorzaak', legt Boon uit. 'We kennen nu vooral genen die een rol spelen bij het gevoel van verzadiging; over de genetische basis van bijvoorbeeld de vetopslag, vetverbranding of gevoeligheid voor stresshormonen weten we nog niet veel. We hebben nu zo'n twintig genen in ons testpanel voor genetisch bepaalde obesitas die we in eerste instantie testen, maar daar komen de komende jaren ongetwijfeld nog diverse genen bij. Een negatieve uitslag bij een genetische test zegt dus niet alles. In de kliniek zie ik vaak genoeg mensen bij wie het hele beeld en hun levensgeschiedenis wijst op een genetisch aangestuurde vorm van obesitas, maar bij wie we geen afwijking vinden in de geteste genen. In een tertiair centrum voor obesitas, zoals het Centrum Gezond Gewicht, vinden we momenteel bij zo'n 5 tot 10 procent van de kinderen met obesitas een aantoonbare onderliggende genetische afwijking. Waarschijnlijk is er een grote groep volwassenen met genetisch bepaalde obesitas bij wie nog nooit een genetische test is uitgevoerd. Simpelweg doordat dit nog niet zo heel lang gebeurt en deze mensen al heel lang obesitas hebben, en er niemand actie onderneemt om aanvullende diagnostiek bij hen uit te voeren.'

Naar schatting is bij een paar procent van de ruim 2,2 miljoen volwassenen in Nederland met obesitas een mutatie of variant in één gen de drijvende kracht achter hun aandoening.

Contra-indicatie voor bariatrische chirurgie

Ofschoon waarschijnlijk dus maar bij een klein percentage van het totaal aantal volwassenen met obesitas sprake is van een (mono)genetische oorzaak, is het wel belangrijk deze mensen als zodanig te diagnosticeren, stelt Boon. 'De behandeling van obesitas vergt bij mensen met een genetische oorzaak een andere aanpak dan bij mensen zonder genetische oorzaak. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat bariatrische chirurgie bij mensen met monogenetisch bepaalde obesitas veel minder succesvol is dan bij mensen met een multifactoriële obesitas. Anderzijds komen mensen op grond van het dragerschap van sommige genmutaties of variaties juist in aanmerking voor een behandeling met setmelatonide, een medicijn dat gericht aangrijpt op de MC4R-pathway en daarmee de hyperfagie vermindert. Dat is de reden dat de vorig jaar herziene richtlijn 'Overgewicht en Obesitas Volwassenen'2 adviseert de oorzaken van de ziekte, waaronder dus de mogelijkheid van een monogenetische oorzaak, goed uit te zoeken om de behandeling van obesitas te verbeteren. De diagnostische tool op www.checkoorzakenovergewicht.nl kan hierbij helpen.'

Onduidelijke testuitslag

Het bovenstaande betekent overigens niet dat iedereen met (ernstig) obesitas in aanmerking komt voor een genetisch onderzoek. Boon: 'Anders dan voor kinderen zijn er voor volwassenen geen strak omlijnde criteria voor wie wel en wie niet in aanmerking komt voor een genetische test.

Onze klinische blik en het verhaal van de patiënt zijn vooralsnog de belangrijkste parameters hierbij. Wij gaan daarbij onder andere af op de antwoorden die de mensen hebben ingevuld op eerder genoemde de website 'Check Oorzaken Overgewicht'. Daarbij zijn hyperfagie en obesitas vanaf jonge leeftijd en een discrepantie met de rest van de familie voor ons rode vlaggen die wijzen op een mogelijke monogenetische oorzaak. Daarnaast kunnen factoren als verstandelijke beperking en autisme wijzen op een syndromale oorzaak van obesitas. De meest voorkomende vorm hiervan is 16p11.2 deletiesyndroom. Deze mensen testen we op de aanwezigheid van mutaties en variaties in de nu bekende genen.' Dat niet simpelweg iedereen met obesitas een genetische test krijgt aangeboden, is enerzijds vanwege de kosten en anderzijds vanwege de kans op een onduidelijke uitslag. 'Van sommige mutaties van genen weten we dat ze hyperfagie stimuleren en daardoor bijdragen aan het ontstaan van obesitas. We stuiten echter ook regelmatig op mutaties en varianten in diezelfde genen waarvan nog niet bekend is welke klinische consequentie ze hebben. Met zo'n uitslag kun je als arts op dit moment nog niet veel wat betreft de behandeling. We testen daarom alleen bij mensen bij wie de waarschijnlijkheid op een bekende genmutatie groot is. Overigens doen we in samenwerking met ons metabool laboratorium onder leiding van dr. Jenny Visser veel onderzoek naar de betekenis van genvarianten met onbekende betekenis. We onderzoeken welke invloed de variant heeft op de activiteit van het eiwit waarvoor het gen codeert. En soms blijkt dan dat ook de betreffende variant pathogeen is.'

Mensen met monogenetisch bepaalde obesitas zijn als gevolg van hun hyperfagie de hele dag alleen maar bezig met het onderwerp eten.

Medicamenteuze behandeling

Zoals gezegd, mensen met bepaalde genetische afwijkingen die leiden tot obesitas komen in aanmerking voor een behandeling met setmelatonide. De criteria voor wie wel en wie niet in aanmerking komt voor een behandeling met dit middel verschillen per land. In Nederland is het geïndiceerd vanaf een leeftijd van 2 jaar bij mensen met obesitas en een bevestigde loss-of-function mutatie in het POMC- of het LEPR-gen of een genetisch bevestigde Bardet-Biedl syndroom. Boon: 'Daarnaast komen deze mensen, net als mensen met ernstige obesitas die niet monogenetisch is bepaald, in aanmerking voor een behandeling met andere anti-obesitasmedicatie waarbij momenteel de keus is uit naltrexon/bupropion en de GLP-1 analoog liraglutide 3,0 mg. Daarbij geldt overigens dat om voor vergoeding in aanmerking te komen de patiënt ook moet hebben deelgenomen aan een RIVM-erkende gecombineerde leefstijlinterventie.'

Het belangrijkste effect van de medicamenteuze behandeling is dat hierdoor de hyperfagie wordt geremd, legt Boon uit. 'Mensen met monogenetisch bepaalde obesitas zijn als gevolg van hun hyperfagie de hele dag alleen maar bezig met het onderwerp eten. Probeer je voor te stellen hoe dat is in onze huidige obesogene samenleving waarin je in elke binnenstad voortdurend tegen voedselaanbod aanloopt. Als je met de medicatie het verzadigingsgevoel kunt verbeteren waardoor de hyperfagie afneemt, komt er bij de patiënt ruimte voor andere zaken zoals het aanleren van een gezondere leefstijl.'

Steuntje in de rug

Aanhakend bij de huidige maatschappelijke discussie over het gebruik van met name de GLP-1 analoga als 'snel vermageringsmiddel', benadrukt Boon dat medicatie bij obesitas alleen ingezet moet worden bij de mensen bij wie er een duidelijke indicatie is. 'We moeten heel zorgvuldig omgaan met deze medicatie. Het is niet bedoeld om snel weer in je jurk te passen. Het is bedoeld om mensen te helpen langdurig een lager lichaamsgewicht te krijgen en daardoor hun kans op vroegtijdig overlijden te verminderen. Bij mensen met monogenetisch bepaalde obesitas, maar ook bij mensen met langdurige niet- genetisch bepaalde obesitas, zijn het verzadigingsgevoel en de eetlust zodanig ontregeld dat het niet meer lukt de leefstijl langdurig zo aan te passen dat er gewichtsafname optreedt. Als je deze mensen een steuntje in de rug kunt geven met medicatie die de verzadiging verbetert en de eetlust vermindert, vind ik dat een goede zaak. Overigens is het in de praktijk bij iedere persoon meestal een kwestie van trial en error om erachter te komen welke medicatie het best werkt. We denken dat dit samenhangt met de precieze onderliggende oorzaak van de obesitas.'

REFERENTIES

  1. 1. cbs.nl. Obesitas afgelopen 40 jaar verdrievoudigd. 4 maart 2023, geraadpleegd 24 oktober 2024.
  2. 2. Partnerschap Overgewicht Nederland. Factsheet van richtlijn Overgewicht en obesitas bij volwassenen. Juli 2023.

DR. M.R. (MARIËTTE) BOON
obesitas-arts, Centrum Gezond Gewicht, Erasmus MC, Rotterdam

Steeds meer inzicht in zeldzame ziekten dankzij genetisch testen.

Tekst: Nathalie Ekelmans, medisch journalist
Wanneer ouders zich afvragen hoe het kan dat hun kind obesitas heeft, omdat dit verder niet voorkomt in de familie, kan een genetische test worden ingezet om de oorzaak te achterhalen. 'Genetische testen zijn steeds toegankelijker en specifiek gericht op een bepaalde aandoening', zegt prof. dr. Mieke van Haelst, klinisch geneticus in Amsterdam UMC. 'Dit geeft ons steeds meer inzicht in zeldzame ziekten.'

Welke DNA-test we bij welke patiënt inzetten, ligt helemaal aan de vraag', vervolgt Van Haelst. In 2022 richtte zij samen met collega prof. dr. Clara van Karnebeek het Emma Center for Personalised Medicine op om de therapieontwikkeling voor zeldzame ziekten te versnellen om zo ook voor patiënten met zeldzame ziekten zorg op maat te kunnen leveren. 'Bij een kind met onbegrepen obesitas gaan we na op welke leeftijd de obesitas zich ontwikkelde, of er sprake is van hyperfagie, of er meer familieleden met een ongezond gewicht zijn en zo ja, hoeveel. Als het kind zich verder goed ontwikkelt en geen spraak-taalachterstand of andere medische problemen heeft, kan de oorzaak gezocht worden in een verstoring van het leptine-melanocortine-4-receptorcircuit in de hersenen dat de voedselverzadiging reguleert. Met een genpakket voor "niet-syndromale obesitas" kunnen we de genen die betrokken zijn bij dit circuit in één keer analyseren.'

Ontwikkelingsachterstand

Soms heeft een patiënt behalve obesitas ook aangeboren orgaanafwijkingen en/of een achterstand in ontwikkeling. Van Haelst: 'Heeft een kind obesitas met daarnaast nog andere medische problemen of bijzondere uiterlijke kenmerken, aangeboren afwijkingen zoals een extra vinger of teen, een nierafwijking of een afwijking aan de genitaliën, dan kun je denken aan een syndromale vorm van obesitas. Dan testen we het "syndromale obesitas genpanel" waar ook de ontwikkelingsachterstand mee verklaard kan worden."

Genpanel voor diagnostiek van erfelijke obesita

Van Haelst: 'In 2010 ontwikkelden we het genpanel voor diagnostiek van erfelijke obesitas. Voorheen konden we bij slechts 5 procent van de patiënten met ernstige obesitas een erfelijke oorzaak aantonen, nu kunnen we dat al bij 15 procent. Wat betreft de erfelijke obesitas werken we nauw samen met het Centrum Gezond Gewicht in Rotterdam. Samen ontwikkelen we therapieën en doen we onderzoek naar de prevalentie van bijvoorbeeld het Bardet-Biedl syndroom (BBS). We willen in kaart brengen hoeveel patiënten er met dit syndroom in Nederland zijn. De schatting is dat het om circa 150 patiënten gaat, maar mogelijk liggen de aantallen hoger. Doordat we steeds specifieker kunnen testen, kunnen we ook mensen diagnosticeren die niet al de "klassieke” kenmerken van dit syndroom hebben. De BBS-genen worden behalve in het syndromale obesitas-genpanel ook in het oog- en nier-genpanel getest. We sporen daardoor steeds meer patiënten op met BBS-genafwijkingen die niet alle kenmerken van het BBS hebben, maar wellicht met alleen een oog- of nierafwijking op het spreekuur komen. Bij navraag kan dan blijken dat er na de geboorte een extra vinger of teen is verwijderd. Ik denk daarom dat de prevalentie van het BBS veel hoger ligt.'

Bardet-Biedl register

Om meer inzichten te krijgen in de verschillende kenmerken die bij patiënten met het Bardet-Biedl syndroom gezien worden, heeft het Emma Center in navolging van Britse collega's een registratiesysteem opgezet voor diverse obesitassyndromen. De Engelse BBS-database bevat gegevens van rond de 850 patiënten met het Bardet- Biedl syndroom. Van Haelst: 'We willen graag eenzelfde registratiesysteem opzetten waarbij we de gedetailleerde gegevens van de afwijkende orgaansystemen van de Nederlandse patiënten in kaart brengen. De data zijn anoniem beschikbaar voor Nederlandse zorgverleners en onderzoekers die zich bezighouden met zorg voor of onderzoek naar het Barbet-Biedl syndroom. Inmiddels hebben we de eerste tientallen BBS-patiënten geïncludeerd.'

Het Emma Center for Personalized Medicine

Het Emma Center for Personalized Medicine biedt snelle en innovatieve diagnostiek, therapie & zorg op maat voor kinderen met (een verdenking op) zeldzame erfelijke aandoeningen. Zie voor meer informatie: www.emmacenter.nl.

Oog, nier of obesitas

Het register is van belang voor de patiëntenzorg en voor de vergoeding van medicijnen. Om alle orgaansystemen zorgvuldig in kaart te brengen maakt het Emma Center gebruik van een 'one stop-shop'. 'Op één dag doen wij alle benodigde onderzoeken', legt Van Haelst uit. 'Het vraagt met name om heel zorgvuldige inventarisatie van alle orgaansystemen omdat er patiënten zijn die bijvoorbeeld alleen oogproblemen hebben en geen nierproblemen. Ook is het gewicht per persoon anders. Hoewel veel BBS-patiënten kampen met overgewicht en obesitas is het beloop wisselend, met name de continue aanwezige hyperfagie is bij het BBS een groot probleem in het dagelijks leven van de patiënten.'

Hertesten

Inmiddels zijn er 26 genen bekend die betrokken zijn bij het Bardet-Biedl syndroom. Van Haelst is blij dat ze dankzij de technologische ontwikkelingen in de genetica meer patiënten kan diagnosticeren en behandelen.

'Zo'n 20 jaar geleden konden we bij zeldzame ziekten alleen de klinische diagnose stellen en het verhoogde risico op herhaling voor toekomstige kinderen bespreken. Ik ben geen arts geworden om te kunnen vertellen welk risico mensen lopen op obesitas, blindheid of een niertransplantatie. Daarom is het zo belangrijk dat we tegenwoordig op basis van een genetische diagnose steeds beter kunnen bepalen welke therapie het best bij de specifieke patiënt past. Mensen die lang geleden getest zijn voor een erfelijke ziekte en bij wie we nog geen diagnose konden stellen, kunnen we nu opnieuw testen. Mensen die niet eerder getest zijn maar bij wie wel een sterke verdenking is, adviseren we om opnieuw contact met ons op te nemen. Vaak is bloedafname niet eens nodig: als er nog DNA beschikbaar is, kan van daaruit verder onderzoek worden gedaan.'

Doorsturen voor een genetische test?

Bezoek www.path4hcps.com/nl/content-hub

PROF. DR. M.M. (MIEKE) VAN HAELST
klinisch geneticus, Emma Center for Personalized Medicine, Amsterdam

Ken je het gevoel...

...dat je je spreekuur het liefst besteedt aan de patiënten die het écht nodig hebben?

Hoe meer mensen zelf de regie nemen over hun gezondheid en ziekte, hoe beter we toekomen aan de hoogcomplexe zorg waarvoor we zijn opgeleid. Daarom hebben wij, een groep artsen samen met multidisciplinaire experts, de app Budiyu ontwikkeld.

Zie je ook kansen voor jouw patiënten om deze app te gebruiken?

Mail ons via info@budiyu.com
of bezoek www.budiyu.com

Budiyu is een digitale buddy met functies zoals chatmogelijkheden met fysieke buddy's (familie, mantelzorgers en lotgenoten), periodieke nieuwsbrieven, gratis medicatiebezorging, leefstijlondersteuning en een dagboek.

Budiyu is ontwikkeld voor patiënten (en ouders) met onder andere het Bardet-Biedl syndroom en wordt doorontwikkeld voor andere chronische aandoeningen.

Hartelijke groet,

Guido van den Berk

Internist

Portret Guido van den Berk

Mijn vermoeden van het Bardet-Biedl syndroom klopt vaak wel.

Tekst: Jenneke van de Streek, wetenschapsjournalist
Prof. dr. Carel Hoyng is als hoogleraar oogheelkunde in het Radboudumc in Nijmegen onder meer gespecialiseerd in erfelijke ziekten van het netvlies. Eén of twee keer per jaar ziet hij een kind met het Bardet-Biedl syndroom.

Toevallig net voor het interview zag Carel Hoyng een patiëntje met kegeldystrofie dat mogelijk met het Bardet-Biedl syndroom te maken kan hebben. Daarover heeft hij later die dag een spreekuur met een klinisch genetica. Desondanks geeft hij aan dat het syndroom zo zeldzaam is dat hij slechts enkele nieuwe patiënten per jaar diagnosticeert vanwege klachten over nachtblindheid.

Verslechtering fotoreceptoren

Bij kinderen met het Bardet-Biedl syndroom uit het algemeen disfunctioneren van de trilharen (cilia) zich in het netvlies in een verslechtering van de werking van de fotoreceptoren. Meestal is er sprake van een kegel- en staafdystrofie of retinale dystrofie. De staafjes zijn van belang voor het zicht in het donker en het perifere gezichtsveld. Als deze niet of minder functioneren, ontstaat nachtblindheid en kokervisus. De kegeltjes zijn verantwoordelijk voor het zien van kleur en het scherp zien. Als deze zijn aangedaan, ervaart het kind hinder door licht, problemen met het zien van kleuren en een verminderde gezichtsscherpte.

De eerste tekenen van de oogaandoening ontstaan bij een gemiddelde leeftijd van 8,5 jaar en het beloop is progressief. Volgens Hoyng zijn de kinderen ongeveer 7 jaar later functioneel blind, wat betekent dat ze een visus hebben van 5% of minder en/of een gezichtsveld hebben van 10 graden of minder.

Nachtblindheid

Nachtblindheid is vaak het eerste kenmerk van de oogafwijking ten gevolge van het Bardet-Biedl syndroom. 'De diagnose nachtblindheid bij Bardet-Biedl wordt vaak tussen tien en vijftien jaar gesteld, iets voor de puberteit', geeft Hoyng aan. 'De ouders merken dat hun kind niet meer gaat buitenspelen als het schemert of de dagen korter worden, of dat het vaker een lamp aandoet. Kinderen zelf verzwijgen de aandoening meestal, zij willen niet abnormaal zijn. Vanwege de zeldzaamheid zien de achthonderd individuele oogartsen in het land nooit of slechts zelden een kind met nachtblindheid vanwege het Bardet-Biedl syndroom. De diagnostiek vindt plaats in een tertiair centrum. Hoyng zoekt bij nachtblindheid eerst naar aanwijzingen voor een erfelijke aandoening. Dat gebeurt met onderzoek op verkleuringen en pigmentatie in het netvlies en met een electroretinogram (ERG) waarbij de functie van kegels en staafjes wordt gemeten na een stimulus van het netvlies. Zo nodig volgt dan genetisch onderzoek.

Meestal klopt dat vermoeden wel. De Bardet-Biedl-patiënten die ik eruit heb gevist, zijn vaak kinderen met meer of minder overgewicht die er wat "papperig" uitzien.

Vermoeden van Bardet-Biedl

Hoyng heeft wel al vaak een vermoeden of er sprake is van het Bardet-Biedl syndroom. 'Meestal klopt dat vermoeden wel. De Bardet-Biedl-patiënten die ik eruit heb gevist, zijn vaak kinderen met meer of minder overgewicht die er wat "papperig" uitzien.' Een kenmerkende vraag die de arts kan stellen is of er sprake is van polydactylie. 'Maar dat is bijna nooit zichtbaar omdat de plastisch chirurg het kleine uitstekende extra botje vaak vlak na de geboorte eraf geknipt heeft.'

Kleine rol

'Eigenlijk is het redelijk 1-2-3 wat ik doe', zegt Hoyng over zijn rol bij Bardet-Biedl-patiënten. 'Ik ben een oogspecialist die Bardet-Biedl-patiënten ziet, geen Bardet-Biedl-specialist. De uitslag van het genetisch onderzoek bespreek ik na vier maanden met het kind en de ouders, ik geef uitleg en stuur hen vervolgens door naar iemand die de regie over de behandeling heeft, meestal een kinderarts of klinisch geneticus.

Tegenwoordig is er een medicijn voor obesitas, dus wat we nu wel extra kunnen doen, is ouders daarop wijzen. Voor controles van de oogafwijking gaan de kinderen terug naar het regioziekenhuis en voor de begeleiding wat betreft de slechtziendheid sturen we ze door naar Stichting Bartimeus, een Nederlandse zorginstelling voor mensen die slechtziend of blind zijn.'

Praktische stappen die u kunt nemen als u vermoedt dat uw patiënt BBS heeft.

Bezoek www.path4hcps.com/nl/connect-the-dots#decision-tree

PROF. DR. C.B. (CAREL) HOYNG
hoogleraar oogheelkunde, Radboudumc, Nijmegen

Meer aandacht nodig voor de hypothalamus.

Tekst: Nathalie Ekelmans, medisch journalist
De hypothalamus is een onderbelicht orgaan, terwijl het de kernregulator van je hele lijfelijke balans is', aldus dr. Hanneke van Santen, kinderarts- endocrinoloog in het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie en in het Wilhelmina Kinderziekenhuis UMC, Utrecht. 'De hypothalamus bevat verschillende kernen die samen de verzadiging reguleren. Is een van deze kernen beschadigd, dan leidt dit tot hyperfagie met ernstige obesitas als gevolg. Tijdige diagnose is heel belangrijk, zeker nu er meer behandelmogelijkheden komen die de kwaliteit van leven echt kunnen verhogen.

Hypothalame dysfunctie (HD) kan ontstaan door. een genetische aanleg of door een tumor die vastzit aan de hypothalamus zoals een craniofaryngeoom, een laaggradig glioom of een germinoom. De gevolgen hiervan zijn groot. HD resulteert in hypofyseproblemen, maar ook in problemen met temperatuurregulatie, dag-nachtritme, gedrag (verlies van impulscontrole), hyperfagie en adipsie, vertraagde verbranding en vaak (morbide) obesitas.1-5 Van Santen: 'HD is een zeldzame ziekte en gaat niet alleen om obesitas; het kent "meerdere gezichten". Het is extra lastig dat er sprake kan zijn van een MC4R pathway-defect met een intacte hypofysefunctie. Ik behandel kinderen met een normale hypofysefunctie die wel een hypothalaamprobleem hebben zoals hyperfagie. Vroeger, toen ik werkte in een algemeen academisch kinderziekenhuis, zag ik misschien 9 kinderen met HD.

Dankzij centralisatie van zorg worden de meeste kinderen nu naar ons expertisecentrum verwezen. We hebben de kinderen vanaf de diagnose tot ongeveer hun achttiende in behandeling, waardoor we wel 150 kinderen kennen en patronen gaan herkennen. Jaarlijks worden er in Nederland 10 kinderen met een craniopharyngeoom gediagnosticeerd en nog eens 10 tot 15 met een tumor van een andere aard in het suprasellaire gebied, van wie de meesten bij ons in zorg zijn. Dat is het voordeel van centralisatie van zorg.'6

Delay in diagnose

HD kan moeilijk te herkennen zijn, juist omdat het zo zeldzaam is. Kinderen met HD kunnen hypothalaam overgewicht of obesitas ontwikkelen door de combinatie van hongergevoelens en een vertraagde verbranding, maar ook bijvoorbeeld vermoeidheid of slecht groeien. Vanuit de omgeving is er niet altijd begrip voor de moeheid en/ of het overgewicht. Zeker wat betreft overgewicht worden ouders en de kinderen zelf regelmatig gestigmatiseerd en wordt hen verteld dat zij beter op voeding en beweging moeten letten. 'Dat is natuurlijk een juist advies, maar bij hypothalaam overgewicht zal dat advies onvoldoende zijn', reageert Van Santen. 'Door onvoldoende herkenning van HD zien wij vaak een "delay in diagnose" van bijvoorbeeld een craniopharyngeoom. Ik zou (kinder)artsen willen oproepen alert te zijn op rode vlaggen van hypothalame dysfunctie.'

Door onvoldoende herkenning van HD zien wij vaak een "delay in diagnose" van bijvoorbeeld een craniopharyngeoom. Ik zou (kinder)artsen willen oproepen alert te zijn op rode vlaggen van hypothalame dysfunctie.

Rode vlaggen voor HD

Wanneer een jong kind dat altijd een normaal gewicht had opeens heel anders gaat eten, veel aankomt en ander gedrag vertoont, moet je verder kijken, weet Van Santen. Hetzelfde geldt voor onstilbare honger, een verstoord dag-nachtritme, groei die niet in verhouding is met de gewichtstoename en kinderen die in vergelijking met broertjes of zusjes een totaal andere groeicurve hebben. Van Santen: 'Patroonherkenning is nu nog niet optimaal, maar dit zijn wel "red flags". Daarnaast is het volgens haar belangrijk dat zorgverleners overgewicht bespreekbaar durven te maken. 'Komt een kind voor iets heel anders naar het ziekenhuis maar zie je dat het gewicht disproportioneel is, maak dat dan bespreekbaar! Alleen dan ontdek je dat het kind hyperfagie heeft of dat er een andere oorzaak voor het overgewicht is. Bestrijding van overgewicht op de kinderleeftijd is enorm belangrijk; hoe langer het overgewicht bestaat, hoe moeilijker het is om te behandelen. Daarnaast is HD zeldzaam, maar minder zeldzaam dan gedacht. In ons gespecialiseerde centrum wordt er wel wekelijks een patiënt opgenomen op locatie Wilhelmina Kinderziekenhuis vanwege bijvoorbeeld het ROHHADNET-syndroom of in het Prinses Máxima Centrum met een craniopharyngeoom of HD.'

Diagnosetool

Om de diagnosestelling te verbeteren is een score ontwikkeld. De diagnostische criteria voor HD zijn hierbij onderverdeeld in hyperfagie, hypofagie, body mass index, gedragsproblemen, slaapstoornissen, temperatuurregulatiestoornissen, hypofysedisfunctie, radiologische hypothalamische beoordeling en aanwezigheid/vermoeden van een hypothalamisch genetisch syndroom. Dit scoresysteem is getest in een retrospectief cohort van 120 patiënten met een risico op HD. Met behulp van deze nieuwe score werd in totaal 52,5 procent gescoord als HD. Van deze patiënten werd 76,7 procent gediagnosticeerd met hypofysedisfunctie, 32,5 procent met hyperfagie, 40 procent met slaapstoornissen en 14,2 procent met temperatuurontregeling.7 Van Santen: 'Genetische vormen van obesitas worden behandeld in het Erasmus MC. In het Prinses Máxima Centrum zien wij kinderen met een tumor rond de hypothalamus. HD is dan natuurlijk eenvoudiger te herkennen omdat je al weet dat er een tumor zit en vaak betreft dit ook een ernstige vorm van HD.'6

Behandeling

Behandeling van HD gebeurt met een multidisciplinair team met daarin een kinderendocrinoloog, klinisch geneticus, kinderoncoloog, kinderneuroloog, oogarts, fysiotherapeut en inspanningsfysioloog, diëtisten, medisch maatschappelijk werk, psycholoog, revalidatiearts, slaapexpert en kinder- en jeugdpsychiater. Van Santen: 'Samen kijken we waar kinderen en hun ouders tegenaan lopen. We brengen het kind in kaart en proberen per domein stappen te zetten volgens een algoritme dat we ontwikkeld hebben. [Zie kader, red.]. Alle kinderen met hyperfagie krijgen advies en begeleiding voor leefstijlaanpassingen, maar bij ernstige hypothalame obesitas red je het daar niet mee en is er ook medicatie nodig. Dan behandelen we, vaak samen met de kinderpsychiatrie, in eerste instantie met metformine, dexamfetamine en soms met een GLP-1-receptoragonist of een experimenteel middel. In onderzoeksverband geven we een aantal kinderen nu ook setmelanotide. Het is een spannende tijd; tien jaar geleden was er gewoonweg geen behandeling mogelijk. Ik denk dat we binnen vijf jaar echt betere behandeling voor hypothalame obesitas hebben. Dat is echt heel goed nieuws: daar gaan levens door veranderen en daardoor krijgen we ook meer tijd en aandacht voor behandeling van de andere domeinen van HD. Ik zie de toekomst zeer positief in. Er komen echt behandelingen aan waarmee we grote stappen gaan maken in dit veld.

REFERENTIES

  1. 1. Sterkenburg A, Hoffmann A, Gebhardt U, et al. Survival, hypothalamic obesity, and neuropsychological/psychosocial status after childhood- onset craniopharyngioma: newly reported long-term outcomes. Neuro Oncol. 2015;17:1029-38.
  2. 2. Olsson DS, Andersson E, Bryngelsson I-L, et al. Excess mortality and morbidity in patients with craniopharyngioma, especially in patients with childhood onset: a population-based study in Sweden. J Clin Endocrinol Metab. 2015;100:467-474.
  3. 3. Wijnen M, Olsson DS, Van den Heuvel-Eibrink M-M, et al. Excess morbidity and mortality in patients with craniopharyngioma: a hospital-based retrospective cohort study. Eur J Endocrinol. 2018;178:93-102.
  4. 4. Hoffmann A, Bootsveld K, Gebhardt U, et al. Nonalcoholic fatty liver disease and fatigue in long-term survivors of childhood-onset craniopharyngioma. Eur J Endocrinol. 2015;173:389-397.
  5. 5. Müller HL, Tauber M, Lawson EA, et al. Hypothalamic syndrome. Nat Rev Dis Primers. 2022;8:24.
  6. 6. Van Schaik J, Schouten-van Meeteren AYN, Vos-Kerkhof E, et al. Treatment and outcome of the Dutch Childhood Craniopharyngioma Cohort study: First results after centralization of care. Neuro Oncol. 2023;25:2250-2261.
  7. 7. Van Santen H, Van Schaik KJ, Van Roessel I, et al. Diagnostic criteria for the hypothalamic syndrome in childhood. Eur J Endocrinol. 2023;188:214-225.
  8. 8. Van lersel L, Brokke KE, Adan RAH, et al. Pathophysiology and Individualized Treatment of Hypothalamic Obesity Following Craniopharyngioma and Other Suprasellar Tumors: A Systematic Review. Endocr Rev. 2019;40:193-235.

DR. H.M. VAN SANTEN
kinderarts-endocrinoloog, Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie en Wilhelmina Kinderziekenhuis UMC, Utrecht

Colofon

Colofon

Cross
Nieuwe haven 133 | 3116 AC Schiedam
Tel. 010-742 10 20
www.cross.nl

Goedkeuringsnummer

NL-DSE-2400040

Deze uitgave is met de grootste zorg samengesteld door Cross in opdracht van Rhythm Pharmaceuticals. Er kunnen echter geen rechten aan worden ontleend. Rhythm Pharmaceuticals aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van onjuistheid of onvolledigheid (in de meest ruime zin des woord) van de informatie in deze uitgave. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Rhythm Pharmaceuticals.

Projectmanagement

Clemens van Gessel Tekst- en webredactie

Tekst

Marten Dooper, Nathalie Ekelmans en Jenneke van de Streek

Auteursrecht en aansprakelijkheid

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgever, producent en auteurs verklaren dat deze uitgave op zorgvuldige wijze en naar beste weten is samengesteld; evenwel kunnen uitgever en auteurs op geen enkele wijze instaan voor de juistheid of volledigheid van de informatie. Gebruikers van deze uitgave wordt met nadruk aangeraden deze informatie niet geïsoleerd te gebruiken, maar af te gaan op hun professionele kennis en ervaring en de te gebruiken informatie te controleren.

Cover
Inhoudsopgave
Voorwoord
Integrale aanpak noodzakelijk bij monogenetische ernstige obesitas
Wat klein begon, is uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk
4-0 achter met hypothalame obesitas
Gezonde leefstijl is heel lastig voor kinderen met (genetisch bepaalde) hyperfagie
Medicatie is niet bedoeld om weer in je jurk te passen
Steeds meer inzicht in zeldzame ziekten dankzij genetisch testen
Mijn vermoeden van het Bardet-Biedl syndroom klopt vaak wel
Meer aandacht nodig voor de hypothalamus
Colofon